Een foto nam je niet zomaar, in het jaar 1972. Je moest al over een kodak beschikken, liefst met een filmrolletje in én je mocht niet vergeten door te draaien na een getrokken foto. Anders stonden ze allemaal op één afdruk. Maar hier bij ons, die zomer, was alles helemaal onder controle.
1. Het was mooi weer. Binnen fotograferen kon alleen met flits en die hadden we niet.
2. We hadden onze mooiste kleren aan. Ik zag mijn grootmoeder nooit anders dan in het zwart, maar haar beste zwarte kleed -dit dus- was versierd met (zwarte) broderie. Ik heb het nog altijd, dat kleed. Niet dat ik het zelf ooit aan had. Meter Marie, toen 97, was immers van de slanke soort. Mijn eerste communiekleedje naaide mijn moeder zelf, zo ook haar eigen jurk. Mijn ma, 49 op dat moment, was immers van de handige soort.
3. De achtergrond moest zijn: het weelderige groen met achteraan de lourdesgrot met bijhorende beelden die mijn vaders broer, nonkel Daniël, nog zelf gebouwd had.
“Allez André, gij moet de foto trekken.” Mijn pa, 62, deed meestal zijn eigen ding, maar aan het bevel van zijn drie vrouwen kon hij dit keer niet onderuit.
“Maakt da we schoon in de midden staan. En boven mijn knieën trekken hoor, die moeten er niet op en dan ga je ook de grot goed meehebben. Geen roste stoel of vuil dak of serre trekken nji!. Nee, niet dat knopje, dat daarboven! En let op dat uwe vinger der niet opstaat.”
Mijn vader was immers, net als ik trouwens, van de haastige soort.
Groetjes van de jongste op de foto, die de bui lijk al zag hangen.
Nb de grot situeerde zich net links van meter Marie.
